DebutantenPrijs 2008/2009 Nominaties
Verslag van de jury

De Jury van de Academica DebutantenPrijs 2009 heeft onderstaande romans genomineerd voor de DebutantenPrijs. De titels staan in willekeurige volgorde.

De Jury geeft met een toelichting op de boeken aan waarom de boeken zijn genomineerd.

Vanaf heden heeft u, de lezer, de gelegenheid de boeken te lezen en te beoordelen.

Ik weet hoe jongens huilen Ik Weet hoe jongens huilen Janneke van der Horst

O, hoe moeilijk is het schrijven van een goed, kort verhaal. En, o, wat beheerst de nog jonge Janneke van der Horst (1981) dit genre al tot in haar vingertoppen!
Het best wordt dit misschien gedemonstreerd in 'Baconscene', het kortste verhaal van de dertien die de bundel telt. In nog geen vier bladzijden schetst Van der Horst met krachtige, korte streken de ik-figuur, haar vriendin Fiola en de 'dikke jongen' die bij de ik-figuur is. Enige elementaire kennis van het Nederlandse voetbal is onontbeerlijk om de essentie en de humor te pakken van een zin als: 'Fiola gaat makkelijker op haar rug liggen dan Luis Suares.' Niet alleen fijnzinnige humor, maar ook fraaie, originele beelden en beschrijvingen kenmerken de verhalen: het hoofd van de dikke jongen 'leek op een slecht ingepakte supermarktta' en de ouders van Fiola komen erachter dat hun dochter geen geneeskunde studeert als zij begrijpen dat Fiola denkt dat 'de aorta een Romeinse kunststroming was'.
Compositorisch haalt Van der Horst ook alles uit de kast om de lezer te imponeren. De voetballer uit het begin van het verhaal komt aan het eind nog eens subtiel terug als de dikke jongen de voordeur bij de ik-figuur uitloopt 'als een falende spits die gewisseld wordt.' Geen wonder: de ik-figuur heeft haar telefoon tijdens haar gesprek met Fiola op 'luidspreker' gezet.
Met dit soort verrassingen zitten de verhalen vol. Verhalen die vooral over de Liefde gaan, in allerlei soorten en maten. Liefde voor een onbekende halfbroer, voor een jeugdliefde, maar ook een verhaal over de overdreven, drukkende moederliefde, over de liefde van een 45-jarige moeder voor een man die net iets ouder is dan haar dochter of over een man die weet dat liefde pas echt is als een vrouw haar voet geeft.
Maar altijd zijn de verhalen verrassend en munten ze uit door zuinig, maar zeer doeltreffend taalgebruik. Wat doeltreffendheid betreft, kan Van der Horst moeiteloos concurreren met Suares.

 
Sneeuweieren Sneeuweieren Ricus van de Coevering

In Sneeuweieren neemt Ricus van de Coevering de lezer mee naar een godverlaten uithoek van het Brabantse platteland. De grond is er zompig, de hemel grauw en de bewoners verdienen hun brood in het zweet des aanschijns. Neem nu kippenboer Harm, zijn vrouw Olga en adoptiefzoon David. Het gezin slaagt er nauwelijks in het hoofd boven water te houden. Geen wonder dat de verhoudingen gespannen zijn. Harm is een man van weinig woorden, die vaker bij het pluimvee zit dan goed voor hem is. Zijn zoon krijgt er geregeld van langs met de klomp en tegen zijn vrouw doet hij niets anders dan grauwen en snauwen. Olga, een muziekminnende huisvrouw, kan geen kinderen meer krijgen sinds de doodgeboorte van hun dochtertje. Hun geadopteerde zoon, een corpulent Ghaneesje, ontpopt zich niet meteen als de gedroomde opvolger in de zaak. De jongen heeft geen greintje belangstelling voor de pluimveehouderij. Wanneer het kind op een dag het moeras in gaat en niet terugkomt, trekt vader eropuit om hem te zoeken. Dan kan hij in een moeite door afrekenen met de vos die zijn kippen decimeert. Dit debuut is geen ordinaire boerenroman, maar een verhaal met een universele reikwijdte, over teloorgegane dromen en verloren illusies. Harm hoopt op een opvolger, Olga droomt van een carriere als zangeres en David wil arts of bioloog worden, maar het leven lost hun verwachtingen niet in. Alledrie zijn ze wanhopig op zoek naar een houvast, klampen ze zich vast aan het geloof in God, in de vooruitgang of in de wetenschap, en hunkeren ze naar een verloren paradijs, dat per definitie buiten hun bereik blijft. Met vaste hand schetst de auteur de hellevaart van zijn personages en voert hij hen naar een wisse ondergang. Sneeuweieren is een ongemeen sobere en sombere roman, waarin geen woord te veel staat. En mocht het verhaal onverhoopt tegenvallen, dan houd je er altijd nog een smakelijk recept voor sneeuweieren aan over.

 
Zeewater is zout zeggen ze Zeewater is zout, zeggen ze Simone Lenaerts

Rosa van twaalf mag voor het eerst naar zee gaan, mee met haar vriendinnetje Viviane. Maar het komt er niet van, omdat Viviane tijdens een avondje in het parochiehuis wordt meegelokt en bizar vermoord. Dat vertelt Rosa vanuit haar kinderlijke standpunt zoals ze alles wat ze ziet en meemaakt vertelt, zonder franje en met een heldere, schrandere kijk op de dingen van het leven. Met die wakkere Rosa, haar communistisch gezinde vader Raymond en Nederlandse moeder Rika als afwisselende ik-vertellers brengt Simone Lenaerts een groots verhaal van het wel en wee van een Antwerps arbeidersgezin in de jaren vijftig van de twintigste eeuw, de naoorlogse tijd waarin het katholicisme nog de toon aangaf in het sociale leven. Haar zedenschets is boeiend en pakkend, wemelt van de treffende details en is een schatkist voor wie benieuwd is naar de cultuur en het klimaat van die jaren vijftig. Het gezin, waartoe ook nog broertje Jean-Pierre behoort, gaat ten onder aan de tegenstellingen tussen de ouders en een materieel moeizaam bestaan. Dat proces kan je als lezer volgen alsof je in de gezinswoning mee bij de kachel zit of in het cafe naast de sanseveria's. De schrijfster portretteert een vergane tijd en wereld warm en empathisch. De historische decors - Vlaams, Belgisch, westers - waartegen deze geschiedenis van kleine mensen zich afspeelt, zijn uitstekend geborsteld (en achteraan kort en goed geannoteerd). De taal die de hoofdpersonages spreken en de woordkeuze van de schrijfster dragen bij tot de authenticiteit van het verhaal. En wat er ook wordt beschreven, altijd en overal voel je de aanwezigheid van dat opgroeiende meisje, ijverig scholiertje Rosa, die vanzelfsprekend van haar ouders en haar broertje houdt en dapper weet door te zetten richting volwassenheid.

 
Monografie van de Mond Monografie van de mond Willem Jardin

Monografie van de mond is een spetterend debuut waarmee Willem Jardin aansluit bij heterogene, polyfone romans van auteurs als Thomas Pynchon en Louis-Paul Boon. De inhoudsopgave biedt de lezer een leidraad: er is een tweeluik, bestaande uit de verhalen van de broers Paul en Frank Heineman, omgeven door 'zijpanelen': drie essays en vier afdelingen met foto's. Jardin vernieuwt het genre van de roman met zijn weergaloze schrijfplezier en zijn lef om - voorbij de grenzen der beschrijving - op zoek te gaan naar de samenhang der dingen. Het is een aforistische, filosofische roman, maar waarin de gedachte telkens wordt herleid tot het concrete en fysieke. Zo gaan de drie essays over de mond, over huid en haar en het gebit. Het is ook een macaber boek. Het abattoir waar grootvader Heineman werkte wordt symbool van de davidster en van de Duitse vernietigingskampen. Paul Heineman maakt er een maquette van, maar vernietigt deze in een zuiverend vuur als zijn vader op sterven ligt. Zijn broer Frank schept zich een nieuw bestaan als academicus in New York, maar is hij soeverein genoeg om tijd en ruimte ondergeschikt te maken aan zijn verlangens? Hij krijgt een verhouding met een studente, Naomi Harper, die hij in de slaapkamer voorleest uit het boek Babylonische Talmoed. Frank en Naomi leveren zich aan elkaar uit met huid en haar, zintuigen die zinderen van seksualiteit, maar hun 'intimate dialogue' wordt afgebroken als Naomi een baan krijgt in Chicago. Voor haar vertrek scheren ze elkaar met een tondeuse van top tot teen kaal en tonen zo hun meest intieme kwetsbaarheid. De verhalen van Paul en Frank denderen voort in een verrassende afwisseling van details. De essays en allerlei ingebedde verhalen zijn een meeslepende, vaak ook geestige en onthutsende rondleiding door de menselijke geschiedenis, met doorkijkjes in 'Dantes dampende hel'. Een debuut dat nu al klassiek lijkt.

 
Hemelsleutels Hemelsleutels Tania Heimans

Voor een kind is alles vanzelfsprekend, zelfs het onuitsprekelijk erge. Lindes moeder is uit het raam gesprongen en stierf in een bed hemelsleutels in de tuin, maar Linde weet nog niet hoe groot haar verlies is - ze is pas zes. Wel vraagt zij zich af wat zij verkeerd heeft gedaan, en hoe zij haar vader voor ongelukken kan behoeden. Haar vader is een doorrookte hippie die alleen aan zichzelf denkt, maar Linde weet nog niet dat zij verwaarloosd wordt. Alleen haar moeders moeder, Oma, geeft Linde houvast. De oude vrouw bewoont ook een etage in het Rotterdamse huis. 'Gewoon negeren dat mens!' roept zij steeds - en dat is wijze raad, als je omringd wordt door volwassenen die geen idee hebben wie je bent en wat je nodig hebt. Dat Oma dement is maakt niet uit, of is misschien juist een voordeel. Als enige heeft zij geen belangen waaraan zij Linde ondergeschikt kan maken. Dit is de wereld die wordt opgeroepen in 'Hemelsleutels', het indringende debuut van Tania Heimans. Met haar effectieve stijl is de schrijfster erin geslaagd om de lezer consequent door Lindes ogen te laten kijken, en ons zo te laten ervaren hoe het is om midden jaren zeventig op te groeien in het huis van Lou Sytalis. Tegelijk laat ze ons voelen wat Linde zelf nog niet kan bevatten: dat haar onrecht wordt gedaan, dat haar schade wordt toegebracht. Zo confronteert 'Hemelsleutels' de lezer met een moeilijk te verdragen onmacht. Lindes situatie verergert als Oma doodgaat, en de lezer houdt steeds vaker niet alleen het boek vast, maar ook zijn hart. Toch is het Linde zelf die hoop biedt. De roman is wrang en beklemmend, maar ook ontroerend, en geestig. 'Hemelsleutels' is geen aanklacht, maar een eerbetoon aan de veerkracht en vindingrijkheid van de kindergeest, die doet wat nodig is om te overleven.